CMC1 Artrose

CMC1 Artrose

CMC-1 artrose (Duimbasisslijtage)

Plastische Chirurgie en Chirurgie

Artrose van het duimbasis gewricht (CMC-1 gewricht)

Deze folder geeft u informatie over slijtage van het duimbasis gewricht en de behandelingsmogelijkheden hiervan. Het is belangrijk dat u begrijpt welke mogelijkheden en risico’s er bestaan. Wij adviseren u daarom deze informatie zorgvuldig door te lezen zodat u een weloverwogen beslissing kunt nemen. Daarnaast kan voor u persoonlijk de situatie anders zijn dan hier beschreven. Indien voor u van toepassing zullen aanvullingen en/of wijzigingen op deze algemene informatie altijd door uw behandeld arts aan u worden meegedeeld.

Artrose

Artrose is een aandoening van het gewrichtskraakbeen, ook wel gewrichtsslijtage genoemd. Artrose is een aandoening waarbij het gewrichtskraakbeen in kwaliteit achteruit gaat en op den duur zelfs geheel kan verdwijnen. De botuiteinden komen dan tegen elkaar en dit veroorzaakt pijn. Ook kan hierdoor het aangedane gewricht moeilijker worden bewogen. Verder zal als reactie op de verminderde kraakbeenbescherming, het bot zijn dragende oppervlak gaan vergroten om de druk op het gewricht te verminderen. Het gewricht kan daardoor uitsteeksels (osteofyten) vormen, dikker worden en misvormd raken. Het proces van aantasting van het kraakbeen stopt niet en neemt langzaam toe. Artrose is niet te genezen.Wel is het proces te vertragen.. Het heeft niets met osteoporose (botontkalking)te maken. De pijn bij artrose wordt voor een groot deel veroorzaakt door ontsteking (steriel) van het kapsel rondom het gewricht

In de hand treedt artrose vaak op in het basisgewricht van de duim. Dit gewricht wordt gevormd door het eerste middenhandsbeen (os metacarpale 1) en een handwortelbot (os trapezium), dit samen wordt de duimbasis of CMC-1 gewricht genoemd.

Klachten

Bij slijtage van het basisgewricht van de duim kunt u last hebben van:

  • Drukpijn ter plaatse van het duimbasis gewricht, welke toeneemt bij kracht zetten.

  • De duim niet meer goed van de handpalm af kunnen bewegen.

  • Krachtsverlies en/of stijfheid van het gewricht.

  • Toenemende pijnklachten in rust.

  • Bij langdurige slijtage: overstrekking of een abnormale stand van de duim.

Diagnose en onderzoek

Op basis van uw klachtenpatroon en het lichamelijk onderzoek kan de (plastisch) chirurg bij verdenking op slijtage van het duimbasis gewricht besluiten een röntgenfoto te laten maken. Soms is aanvullend onderzoek nodig in de vorm van een CT-scan. Uw klachten zijn echter leidend voor de (plastisch) chirurg.

Behandeling

Artrose is niet te genezen. De behandeling is daarom voornamelijk gericht op het wegnemen van de pijnklachten, zodat de hand weer beter ingezet kan worden. Daarnaast richt de behandeling zich ook op verbetering van kracht en mobiliteit.

Niet operatieve behandeling (conservatieve behandelingen)

De niet operatieve behandelingsmogelijkheden hebben in een beginstadium de voorkeur en kunnen bestaan uit:

  • Rust

  • Pijnstilling (NSAID’s);

  • Injectie met een ontstekingsremmer (corticosteroïden) in de gewrichtsspleet;

  • Een (afneembare) spalk;

  • Oefentherapie bij een handfysiotherapeut.

De combinatie van spalk en handtherapie heeft een hoog slagingspercentage waarbij er voor de patient wellicht een operatie voorkomen kan worden. Deze therapie dient u minimaal 3 mnd gevolgd te hebben alvorens uw behandelend art een uitspraak kan doen of het bij u gewerkt heeft.

Operatieve behandeling

Pijn en de mate van functiebeperking is de belangrijkste graadmeter voor een eventuele operatieve behandeling. Er wordt gekozen voor een operatieve behandeling wanneer er sprake is van vergevorderde slijtage of bij klachten die niet reageren op conservatieve behandelingen.

Tijdens de operatie verwijdert de plastisch chirurg het versleten duimbasisgewricht (het trapeziumbot). Een deel van een pees uit de onderarm wordt gebruikt om de duim weer te verstevigen. Na deze operatie zal de beweeglijkheid en de kracht van de duim minder zijn dan vroeger (voor de slijtage). De pijn neemt naar waarschijnlijkheid echter fors af. In sommige gevallen ervaren patiënten na de operatie geen verschil of meer pijnklachten dan voor de operatie. Laat u dus altijd goed informeren over de mogelijke complicaties en resultaat van de operatie.

Voor de operatie

Het operatiegebied moet u NIET zelf scheren. Zo wordt voorkomen dat er misschien kleine wondjes ontstaan bij het scheren die infectie kunnen veroorzaken. Gebruik geen crème of iets dergelijks om uw huid mee in te smeren.

Herstelperiode

De operatie wordt in dagbehandeling op de operatiekamer uitgevoerd en kan geschieden onder regionale verdoving of algehele anesthesie (narcose). Na de operatie krijgt u een gipsspalk aangemeten. Dit moet droog blijven tot de eerstvolgende afspraak in het ziekenhuis na ongeveer 10 tot 14 dagen. Daarna wordt een afneembare spalk voor u gemaakt.

Voor eventuele napijn kunt u paracetamol (max. 4 x daags 1000 mg) gebruiken. Indien nodig krijgt u een recept voor extra pijnstilling.

Het is van belang dat u de vingers regelmatig beweegt om stijfheidsklachten te voorkomen. Dit kunt u doen door 5x per dag 10 keer de vingers te strekken en ontspannen te buigen. Vermijd hierbij met kracht een vuist te maken. Dit herhaalt u nog eens waarbij u de andere hand gebruikt om de vingers te helpen met bewegen. Daarnaast kunt u 5x per dag 10 keer de vingers spreiden en sluiten om het vocht uit de hand weg te pompen.

Na een operatie moet u rekening houden met een revalidatieperiode van ongeveer 3 tot 6 maanden waarin u begeleidt wordt door de handfysiotherapeut.

Mogelijke complicaties

Geen enkele operatie is echter zonder risico’s. Zo is ook bij deze operatie de normale kans op complicaties aanwezig. U kunt hierbij denken aan een nabloeding of een wondinfectie. Deze komen gelukkig zelden voor.

Specifiek bij deze ingreep kan er een klein zenuwtakje van de huid beschadigd raken, waardoor het gevoel in de omgeving van de wond (meestal tijdelijk) gestoord kan raken.

Na de operatie zal de beweeglijkheid en de kracht van de duim minder zijn dan vroeger (voor de slijtage). De kracht herstelt vaak (maar niet altijd) tot het niveau van voor de operatie. Vaak neemt de pijn fors af, maar er kan resterende pijn aanwezig blijven.

Bij alle operaties of verwondingen aan een arm of been kan, hoewel gelukkig zeldzaam, een posttraumatische dystrofie ontstaan (zie folder dystrofie). Dit gaat gepaard met pijn, zwelling, stijfheid en vaak wisselende verkleuring van de huid. Het is niet mogelijk van tevoren in te schatten of iemand dit probleem zal krijgen.

Wat u verder nog moet weten

Neem contact op met de polikliniek Chirurgie en Plastische Chirurgie als u in de eerste weken na de operatie een van de volgende verschijnselen waarneemt:

· Toenemende pijnklachten, kloppend en/of brandend gevoel ter plaatse van de wond;

· Pijnklachten door het gips;

· Koorts (temperatuur 38°C of hoger).

U krijgt een afspraak mee voor een poliklinische controle na ongeveer 10 tot 14 dagen voor het verwisselen van de gipsspalk. Dan worden ook de hechtingen verwijderd.

Tot slot

Mocht u na het lezen van deze algemene informatie nog vragen hebben, stelt u die dan gerust aan uw behandelend (plastisch) chirurg of aan de assistente. Mocht u van mening zijn dat bepaalde informatie ontbreekt, dan vernemen wij dit graag van u.

Polikliniek Plastische Chirurgie, route 61    

T 010 297 52 20

bereikbaar van maandag tot en met vrijdag tussen 08.15 – 16.30 uur

Belt u tijdens feestdagen, in het weekend, avond of nacht dan kunt u contact opnemen met de spoedeisende hulp, de SEH

T 010 297 53 00

www.ikazia.nl