Sondevoeding geven aan kind (A4)

Sondevoeding geven aan kind (A4)

Sondevoeding geven aan uw kind

Inleiding

Uw kind heeft een sonde en krijgt sondevoeding. Met behulp van deze folder kunt u leren hoe u sondevoeding aan uw kind kunt geven. U leest hierin wat sondevoeding is en we beschrijven alle stappen voor het geven van sondevoeding. Ook vertellen we u welke problemen soms voor kunnen komen en hoe u ze op kunt lossen.

Met vragen kunt u altijd terecht bij de verpleegkundige of de kinderarts van ons ziekenhuis; zij helpen u graag.

Het geven van sondevoeding

Sondevoeding geven is een handeling waaraan risico’s verbonden zijn. Niet iedereen mag zo’n handeling zomaar uitvoeren, dat is voorbehouden aan artsen en verpleegkundigen.

U mag de handeling alleen uitvoeren wanneer de kinderarts dit aangegeven heeft. De verpleegkundige leert u precies hoe u sondevoeding geeft. Terwijl u dit leert, blijft de arts verantwoordelijk. U krijgt de gelegenheid om alle nodige kennis en vaardigheden aan te leren. Dit wordt op de checklist bijgehouden. U oefent net zolang tot de kinderarts én uzelf er alle vertrouwen in hebben dat u het kunt.

Heeft u alle punten op de checklist goed doorlopen? Dan bent u als ouder of verzorger in staat om zelfstandig sondevoeding te geven bij uw kind. Als u de checklist ondertekent, bent u verantwoordelijk voor het (thuis) goed uitvoeren van deze handeling. Natuurlijk neemt u deze verantwoordelijkheid alleen op u, als u dat ook echt wilt. Dat u de verantwoordelijkheid draagt, betekent zeker niet dat u thuis alles alleen moet doen. Uw huisarts en de verpleegkundige die bij u thuiskomt, zullen u graag bijstaan. Laat hen daarom zo snel mogelijk weten dat u uw kind sondevoeding gaat geven. Is er een probleem, dan kunt u bellen naar uw huisarts.

De ‘wijkverpleging’ komt bij u thuis geregeld kijken of alles goed gaat.

Wat is sondevoeding?

Voedingssonde

Een voedingssonde is een buigzaam slangetje, dat via de neus en de keelholte wordt ingebracht en uitkomt in de maag. Aan het uiteinde zitten meerdere gaatjes waardoor de voeding in de maag stroomt. Na het inbrengen kan de sonde drie dagen tot zes weken in de neus blijven zitten (afhankelijk van welk materiaal de sonde gemaakt is)



1. neus

2. mond

3. luchtpijp

4. slokdarm

5. maag

6. darmen

Sondevoeding

Sondevoeding is dunne vloeibare voeding die via een sonde in de maag komt. Er bestaan verschillende soorten sondevoeding. Zuigelingen krijgen vaak gewone zuigelingenvoeding of afgekolfde moedermelk door de sonde. De kinderarts bepaalt welke soort en hoeveel voeding uw kind krijgt.

Waarom sondevoeding?

Er zijn verschillende redenen waarom een kind sondevoeding krijgt. Bij een zuigeling is de reden vaak dat het kind nog niet de kracht heeft om de voeding (helemaal) zelf te drinken. Sommige kinderen krijgen alle voeding via de sonde. Andere kinderen drinken de helft van de flesvoeding of moedermelk zelf en krijgen de rest via de sonde.

Uitleg voor het geven van sondevoeding

1.

Leg alle spullen klaar:

  • de voeding op lichaamstemperatuur;

  • 1 spuit van 10 ml;

  • 1 spuit van 20 ml;

  • handdoek of slab.

2.

Was uw handen goed met water en zeep, om zo schoon mogelijk te werken. Leg uw kind in de houding die voor u beiden het prettigst is.

3.

Leg de handdoek of slab onder het uiteinde van de sonde, dan geeft het niet als u een beetje morst.

4.

Kijk nu of de sonde goed zit. Dit doet u om er zeker van te zijn dat de sonde zich op de juiste plaats bevindt.

1. Controleer de fixatie van de pleister;

2. Controleer of het markeringspunt op de maagsonde de juiste ingebrachte lengte aangeeft;

3. Inspecteer de mond-keelholte om te kijken of de maagsonde zichtbaar in de keel en niet opgekruld ligt;

4. Bij twijfel over de positie van de maagsonde (als het markeringspunt op de sonde niet meer bij de ingang van de neus zit, bij benauwdheid, blauwe verkleuring van de huid, hoesten en pijn), dan meet u de PH-waarde van de maaginhoud:

1. Spuit een klein beetje (2 ml) lucht in de sonde, zo bent u er zeker van dat de sonde niet tegen de maagwand aan zit.

2. Trek met het spuitje een beetje maaginhoud op. Dit ziet er helder of troebel (de kleur van de voeding) uit.

Krijgt u niets in het spuitje, laat dan uw kind op de andere zij liggen en probeer het nogmaals.Krijgt u dan nog steeds geen maaginhoud terug, dan schuift u de sonde een stukje (een vingerbreedte) verder of u trekt de sonde een stukje terug en u controleert opnieuw. Zit de sonde na een paar keer controleren nog steeds niet goed? Haal hem dan weg en neem contact op met de huisarts of de verpleegkundige van de thuiszorg voor het opnieuw inbrengen van de sonde, tenzij u hebt geleerd dit zelf te doen.

3. Spuit een paar druppels op de pH-strip. De pH waarde dient 5,5 of lager te zijn. Verwijder de sonde als de pH hoger is dan 5,5 en neem contact op met de huisarts of de verpleegkundige van de thuiszorg voor het opnieuw inbrengen van de sonde, tenzij u hebt geleerd dit zelf te doen.

5.

Voel of de voeding handwarm is.

6.

Er zijn twee manieren om sondevoeding te geven: inspuiten of via de hevelwerking.

  • Inspuiten: vul de 20 ml spuit met voeding en sluit deze aan op het uiteinde van de sonde. Spuit de voeding langzaam in en let hierbij op reacties van uw kind.

  • Hevelwerking: sluit de spuit aan op de dichtgeknepen sonde en vul deze met voeding. Houd de spuit iets hoger dan het maagje, zodat de voeding op een goede snelheid inloopt. Hoe hoger de spuit, hoe sneller de voeding inloopt. Als u de spuit te laag houdt, loopt de voeding vanuit de maag terug in de spuit.

7.

Let op reacties van uw kind, zoals:

  • misselijkheid;

  • onrust/huilen;

  • hoesten;

  • blauw worden.

Stop met het geven van de voeding zodra uw kind één van deze reacties vertoont. Geef uw kind de tijd om rustig te worden. Controleer dan nog eens de ligging van de sonde. Zit die goed, probeer dan de rest van de voeding te geven. Laat de voeding eventueel iets langzamer inlopen. Lukt het dan weer niet goed, probeer het dan bij de volgende voeding opnieuw. Gaat het dan nog niet, neem dan contact op met de verpleegkundige van de thuiszorg.

8.

Heeft u alle voeding gegeven, spuit dan de sonde door met 1 ml water en daarna met lucht. De hoeveelheid lucht is afhankelijk van de maat sonde. De verpleegkundige kan u hierover informeren. Hiermee voorkomt u dat de sonde verstopt raakt.

9.

Geef uw kind de kans om te boeren.

10.

Sluit de sonde af met het afsluitdopje.

11.

Maak de spullen na afloop goed schoon.

De verzorging

Mondverzorging

Kinderen die alleen via de sonde voedsel krijgen, maken niet genoeg speeksel aan. Dat maakt ze vatbaarder voor ontstekingen en infectie, want speeksel gaat ontstekingen en infectie tegen. Goede mondverzorging is daarom extra belangrijk. Maak vóór elke voeding de binnenkant van het mondje helemaal schoon met een gaasje dat u in lauw water of moedermelk hebt gedoopt. Doe dit zo voorzichtig mogelijk, want uw kind kan er braakneigingen van krijgen. Smeer de lipjes van uw kind goed in met een vettige crème, bijvoorbeeld vaseline. Dit voorkomt dat de huid uitdroogt en gaat barsten. Een ander aandachtspunt is het onderhouden van de mondfuncties. Kinderen die alleen via de sonde voedsel krijgen, missen de ervaring van bepaalde bewegingen en gevoelens in het gebied van hun mond.

Die ervaringen hebben ze van het begin af aan nodig om later te kunnen leren eten en praten. U kunt uw kind tijdens het geven van sondevoeding laten zuigen op een fopspeen of uw pink. Als uw kind de borst of fles mag hebben, geef deze dan altijd eerst. Zo leert uw kind ook zelf drinken.

Neusverzorging

De sonde zit aldoor tegen de rand van het neusgaatje en op de neus geplakt. Daarom is extra neusverzorging nodig.

  • Zorg ervoor dat de sonde niet tegen de rand van het neusgaatje drukt, dit om wondjes te voorkomen.

  • Vervang de pleisters zodra ze vies zijn of loslaten.

  • Maak het neusje schoon met water en droog goed af.

  • De neusgaatjes maakt u regelmatig schoon met een gaasje of wattenstokje dat u in kraanwater heeft gedrenkt. Zo nodig geeft u neusdruppels van fysiologisch zout.

De voeding

Klaarmaken en bewaren van kunstvoeding (sondevoeding)

De voeding maakt u klaar volgens het voorschrift van de diëtiste. Goede hygiëne is daarbij erg belangrijk. Voeding trekt namelijk bacteriën aan waardoor het snel bederft. Was altijd uw handen met water en zeep en gebruik schone spullen. Keukenspullen die u bij het klaarmaken gebruikt, kunt u afwassen met heet water en afwasmiddel. Maak de spuiten goed schoon, dan kunt u ze meerdere keren gebruiken. Vervang de spuiten elke 24 uur. U kunt de voeding voor 24 uur vooruit klaarmaken, of per portie vóór de toediening. Als u meerdere porties tegelijk klaarmaakt, moet u ze in de koelkast bewaren. De porties zijn maximaal 24 uur houdbaar. Werk bij het klaarmaken zo schoon mogelijk. Zorg ook dat er geen klontjes in de voeding zitten. Door klontjes kan de sonde namelijk verstopt raken. Breng iedere portie vlak vóór het gebruik op lichaamstemperatuur, ongeveer 37°C. U kunt dit controleren door een paar druppels voeding op de binnenkant van uw pols te druppelen. Als u de druppels bijna niet voelt, is de temperatuur precies goed. De voeding mag zeker niet te warm zijn, want dat kan irritatie of zelfs verbranding van de slokdarm veroorzaken.

Voor meer informatie over het opwarmen van moedermelk, of het klaarmaken en bewaren van kunstvoeding, kijkt u op www.voedingscentrum.nl

Eten en drinken naast de sondevoeding

De arts bespreekt met u of uw kind naast de sondevoeding ook zelf mag drinken.

Geef uw kind altijd eerst de borst of de fles en dan pas sondevoeding. Zo zal uw kind krachtig drinken omdat het hongerig is.

Medicijnen geven via de sonde

Sommige medicijnen kunnen via de sonde worden gegeven. Krijgt uw kind medicijnen, overleg dan met de arts of de verpleegkundige hoe u deze het best kunt geven. Vraag ook of dit vóór, tijdens of na de voeding moet.

Uitleg voor het geven van medicijnen via de sonde

1.

Leg eerst alles klaar wat u nodig heeft:

  • 1 spuit van 10 ml

  • 1 spuit voor het medicijn

  • voorgeschreven medicijn(en)

2.

Was uw handen goed met water en zeep, om zo schoon mogelijk te werken.

3.

Als het medicijn niet vloeibaar is, los het dan op wanneer dit is toegestaan. Dit doet u door het medicijn te vermalen tussen bijvoorbeeld twee lepels en met lauw water te mengen.

4.

Trek het vloeibare, of het in water opgeloste medicijn op in een spuit.

5.

Controleer of de sonde goed zit:

1. Controleer de fixatie van pleister;

2. Controleer of het markeringspunt op de maagsonde de juiste ingebrachte lengte aangeeft;

3. Inspecteer de mond-keelholte om te kijken of de maagsonde zichtbaar in de keel en niet opgekruld ligt;

4. Bij twijfel over de positie van de maagsonde (als het markeringspunt op de sonde niet meer bij de ingang van de neus zit, bij benauwdheid, blauwe verkleuring van de huid, hoesten en pijn), dan meet u de PH-waarde van de maaginhoud:

1. Spuit een klein beetje (2 ml) lucht in de sonde, zo bent u er zeker van dat de sonde niet tegen de maagwand aan zit.

2. Trek met het spuitje een beetje maaginhoud op. Dit ziet er helder of troebel (de kleur van de voeding) uit.

Krijgt u niets in het spuitje, laat dan uw kind op de andere zij liggen en probeer het nogmaals.Krijgt u dan nog steeds geen maaginhoud terug, dan schuift u de sonde een stukje (een vingerbreedte) verder of u trekt de sonde een stukje terug en u controleert opnieuw. Zit de sonde na een paar keer controleren nog steeds niet goed? Haal hem dan weg en neem contact op met de huisarts of de verpleegkundige van de thuiszorg voor het opnieuw inbrengen van de sonde, tenzij u hebt geleerd dit zelf te doen.

3. Spuit een paar druppels op de pH-strip. De pH waarde dient 5,5 of lager te zijn. Verwijder de sonde als de pH hoger is dan 5,5 en neem contact op met de huisarts of de verpleegkundige van de thuiszorg voor het opnieuw inbrengen van de sonde, tenzij u hebt geleerd dit zelf te doen.

6.

Zet de spuit met medicijnen op de sonde en spuit de medicatie in. Krijgt uw kind meerdere medicijnen, dan spoelt u tussendoor steeds met 1 ml water schoon.

7.

Spoel na het geven van de medicijnen de sonde goed schoon met 1.5 ml water en vervolgens met lucht om ervoor te zorgen dat er geen water meer in de sonde achterblijft. Op deze wijze voorkomt u bij de volgende controle dat er nog water van de vorige voeding wordt terug getrokken, waardoor het idee kan bestaan dat de sonde goed zit.

8.

Sluit de sonde af met het afsluitdopje.

9.

Maak de spullen na afloop goed schoon.

Mogelijke problemen

De sonde is verstopt

De sonde kan verstopt raken door:

  • Het niet regelmatig doorspuiten van de sonde.

  • Het niet goed doorspuiten van de sonde voor en na het toedienen van medicijnen.

  • Te lange blootstelling aan de zon. Hierdoor kan de sonde uitdrogen en hard worden, waardoor sneller verstoppingen ontstaan. Neem contact op met de kinderthuiszorg als de sonde verstopt is. De verpleegkundige komt bij u thuis om de sonde te vervangen.

De voeding loopt niet door

Soms wordt de sonde dichtgedrukt doordat uw kind in een bepaalde houding zit of ligt. Geef uw kind een andere houding. Is het probleem nog niet opgelost? Dan zit de sonde verstopt, zie ‘de sonde is verstopt’.

De sonde is verschoven

Komt een stukje van de sonde uit de neus, dan kunt u hem gewoon terugschuiven. Controleer hierna wel of de sonde weer in de maag zit, zie ‘instructie voor het geven van sondevoeding’, stap 4. Als de sonde helemaal uit de neus komt, breng hem dan opnieuw in als u dit zelf geleerd hebt. Neem anders contact op met de huisarts of de verpleegkundige om de sonde weer in te laten brengen.

Uitgebraakte sonde

Als uw kind de sonde uitbraakt, komt deze er via de mond uit. U moet meteen ophouden met voeden en de sonde langzaam via het neusje uittrekken. Zet het dopje eerst terug op de sonde, anders kan er voeding in de longen komen.

Irritatie van het neusslijmvlies

Soms zit de sonde te strak, of zit hij te lang op één plaats vastgeplakt.

Het neusslijmvlies raakt dan geïrriteerd. Haal de sonde weg en breng hem opnieuw in het andere neusgaatje in. Let bij het vastplakken goed op, dat de sonde niet te strak tegen het neusgat van uw kind aandrukt.

Misselijkheid en overgeven

Sommige kinderen worden misselijk of moeten overgeven. Dit kan een of meerdere oorzaken hebben:

  • De voeding loopt te snel in.

  • Het is te veel voeding per portie.

  • De voeding is te koud.

  • De maag van uw kind raakt niet snel genoeg leeg.

  • De sonde ligt verkeerd.

  • De medicijnen die uw kind krijgt, veroorzaken misselijkheid.

  • Uw handen of de spullen zijn niet schoon genoeg waardoor uw kind bacteriën heeft binnengekregen.

  • Uw kind heeft een infectie.

Als uw kind misselijk wordt of overgeeft, stopt u meteen met het toedienen van de sondevoeding. Ga na wat de oorzaak is en verhelp deze als u kunt. Laat uw kind kalmeren en ga dan pas verder. Geeft dit geen verbetering dan is het goed om de huisarts te raadplegen.

Diarree

Mogelijke oorzaken van diarree zijn:

  • De voeding loopt te snel in.

  • Het is te veel voeding per portie.

  • De voeding is te zwaar voor uw kind.

  • De voeding is te koud.

  • De sonde ligt te diep.

  • Uw kind is besmet met bacteriën.

  • De voeding is verkeerd samengesteld.

  • Het maag-darmkanaal van uw kind functioneert niet goed.

  • De medicijnen die uw kind krijgt, veroorzaken diarree.

Verhelp de oorzaken als u dat kunt. Houdt de diarree aan, overleg dan met uw huisarts wat u het beste kunt doen.

Pijnlijke mond

Kinderen die alleen via de sonde voedsel krijgen, maken niet genoeg speeksel aan. Hierdoor kunnen er irritaties, ontstekingen en soms zelfs infecties van het mondslijmvlies ontstaan. Een infectie die bij zuigelingen veel voorkomt is spruw.

U herkent dit aan de kleine witte vlekjes op het tandvlees of aan de binnenkant van de wang. Het ziet eruit als melk, maar als u erover wrijft blijft het zitten. Raadpleeg de huisarts als u denkt dat uw kind spruw heeft. Ook als uw kind last blijft houden van een pijnlijke mond, neemt u contact op met uw huisarts. Zie voor de verzorging van de mond het kopje ‘Verzorging: mondverzorging’.

Verslikken in de voeding

Als de sonde van plaats verandert of als uw kind moet overgeven tijdens de voeding, kan uw kind zich verslikken. Er bestaat dan kans dat de voeding in de luchtpijp of de longen terechtkomt. In dat geval kan uw kind gaan hoesten, moeilijk ademhalen, benauwd worden of blauw aanlopen. Als dit gebeurt, stop dan direct met het toedienen van de sondevoeding.

Neem meteen contact op met uw huisarts als uw kind zich in de voeding heeft verslikt.

Belangrijke telefoonnummers

Thuiszorg team (wijkverpleging): .........................................................................................................................................

T .........................................................................................................................................................................................................

Overige gegevens

.............................................................................................................................................................................................................

.............................................................................................................................................................................................................

.............................................................................................................................................................................................................

.............................................................................................................................................................................................................

.............................................................................................................................................................................................................

.............................................................................................................................................................................................................

.............................................................................................................................................................................................................